Frankijk haalt goud naar huis

De Banque de France heeft de laatste 129 ton van haar goudreserves die nog in New York lag, vervangen door nieuwe gestandaardiseerde baren en naar Parijs gehaald.
Met ongeveer 2.437 ton goud behoort Frankrijk wereldwijd tot de top vijf, en die volledige reserve ligt vandaag dus in Parijs.

Volgens de Fransen was dit een technische operatie: modernisering, standaardisatie en betere verhandelbaarheid van de reserves.
Toch is het moeilijk om daar géén bredere betekenis in te zien.

Want zelfs als Frankrijk dit niet expliciet politiek wil kaderen, blijft de conclusie opvallend eenvoudig: een grote Europese centrale bank kiest er uiteindelijk voor om het laatste goud dat nog in de VS lag, opnieuw op Europese bodem te bewaren.

In een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemenhandelsrelaties minder vanzelfsprekend worden en strategische autonomie opnieuw belangrijker wordt, is dat geen onlogische zet.

Wat deze operatie extra interessant maakt, is dat goudreserves uit een vroegere periode, die niet meer voldeden aan de huidige marktstandaard, in New York werden omgezet in nieuwe, internationaal conforme baren die in Parijs werden geleverd.

Zo losten de Fransen meerdere zaken tegelijk op. Hun reserves zijn nu makkelijker te waarderen, vlotter verhandelbaar en meteen inzetbaar op de internationale markt. Tegelijk vermijden ze ook de praktische en logistieke onzekerheden die bij oude goudvoorraden kunnen spelen..

Uiteindelijk haalden de Fransen 129 ton goud naar huis, verdeeld over meer dan twee dozijn transacties, zonder ook maar één staaf fysiek uit de Verenigde Staten te hoeven verschepen.
Een operatie die toch minstens zeven maanden in beslag nam.

Voor wie de geschiedenis van het internationale monetaire systeem volgt, roept deze operatie onvermijdelijk herinneringen op aan Charles de Gaulle en Jacques Rueff. Zij zorgden er al geruime tijd geleden voor dat het grootste deel van het Franse goud al lang op Franse bodem ligt.

Al in de jaren zestig begreep president Charles de Gaulle, niet bepaald een man van kleine historische inzichten, samen met zijn economische adviseur Jacques Rueff beter dan de meesten wat de gevolgen zouden zijn van een wereld waarin één nationale munt (de dollar) de rol van wereldreservemunt vervulde.
De Gaulle bekritiseerde openlijk de bevoorrechte positie van de Amerikaanse dollar en pleitte al in 1965 voor een internationaal systeem waarin goud opnieuw fungeerde als neutrale, onpartijdige maatstaf tussen landen.
Rueff, de econoom achter veel van De Gaulles monetaire inzichten, formuleerde het kernprobleem glashelder: “wanneer de reservemunt van de wereld tegelijk de nationale munt van één land is, ontstaat er vroeg of laat een fundamenteel onevenwicht.”
Dat onevenwicht heeft decennialang in het voordeel van de Verenigde Staten gewerkt.

Wie de wereldreservemunt uitgeeft, profiteert van een voortdurende internationale vraag naar zijn munt en zijn schuldpapier. Daardoor kan zo’n land veel makkelijker tekorten financieren, goedkoper lenen en onevenwichten langer laten oplopen dan andere economieën.

Maar geen enkele reservemunt behoudt eeuwig haar dominante positie.

De geschiedenis levert daar meer dan genoeg voorbeelden van. Ooit vervulde het Britse pond die rol, tot de dollar het overnam.

Het proces waarin de dollar die dominante positie verliest, verloopt traag. Maar het is wel degelijk begonnen. De Amerikaanse overheidsschuld nadert intussen de grens van 40 biljoen dollar. Ook aan een monetair privilege zit uiteindelijk een limiet.

De belangrijkste vraag is vandaag dan ook niet of de dollar morgen plots haar status verliest. Zo’n vaart zal dat vermoedelijk niet lopen. De echte vraag is hoe de volgende fase van het monetaire systeem eruit zal zien.

Wij verwachten daarbij niet zomaar één nieuwe reservemunt die de dollar vervangt. Het privilege dat de Verenigde Staten decennialang hebben genoten, zal niet gewoon aan een ander land worden doorgegeven.

Veel logischer is een wereld waarin goud opnieuw een grotere rol speelt als neutrale, internationale vorm van rijkdom. Wanneer goud opnieuw kan dienen om internationale (handels)balansen te herstellen, daalt de noodzaak om volledig te vertrouwen op één dominante nationale munt.

Dat is exact waarom goud vandaag opnieuw zo nadrukkelijk op de radar staat van centrale banken wereldwijd. Niet als reliek uit het verleden, maar als strategische reserve zonder tegenpartijrisico.
Frankrijk begrijpt dat blijkbaar nog altijd heel goed, meer dan zestig jaar na De Gaulle.

Als we heel even vergelijken met de Lage Landen, dan zien we dat Nederland ongeveer 612,5 ton goudreserves heeft, tegenover 227,4 ton voor België.

Per capita liggen de Franse en Nederlandse goudreserves verrassend dicht bij elkaar. België bengelt per inwoner een heel stuk lager…

Dat laatste is bijzonder jammer. De Belgische goudreserves waren op een bepaald moment zelfs 1.300 ton groot. 80% daarvan werd echter verkocht, en dat heeft duidelijk schade berokkend. Zeker omdat die verkopen ook nog eens gebeurden aan bijzonder lage goudprijzen.

Ons grootste voordeel?
Als fysiek goud in de volgende fase van het monetaire systeem opnieuw een centrale rol krijgt, dan ligt daar vandaag nog altijd een enorme opportuniteit.

Ook wij kunnen die toekomstige reserve vandaag immers aankopen en veilig laten bewaren, net zoals centrale banken dat doen.
Als het over goud gaat, rekenen we liever niet op de overheid. Wie zijn vermogen wil beschermen, onderneemt beter zelf actie.

Uw positie in fysiek edelmetaal verder opbouwen?
Log hier in op uw goud999safe account.

 

Tot binnenkort!

Het goud999safe team